George Harrison veroorzaakte spirituele revolutie (2)

3 mei, 2012 - 09:00

Cees Veltman - Wie tegenwoordig fijn zit te mediteren op z’n designer-yogamat, heeft ongedacht veel te danken aan de ‘stille Beatle’ George Harrison. Dankzij hem kwam in de jaren zestig en zeventig een nieuw, jong westers publiek in contact met yoga, meditatie en dharma. Harrison toonde zich tot zijn dood een openlijke beoefenaar. Een nieuwe biografie werpt meer licht op zijn spirituele kanten. 

India
Het is George die de andere Beatles meetroont naar India. Gefotografeerd op bezoek bij zijn goeroe Srila Prabhupada, kijken Paul en Ringo chagrijnig de camera in. John kijkt geamuseerd. Alleen George lijkt werkelijk geïnteresseerd te zijn. In het Indiase Rishikesh maken ze ruim veertig liedjes, deels onder protest van George: “We zijn hier niet om over muziek te praten”, zegt hij tegen de andere Beatles, “we zijn hier om te mediteren.” Ze moeten hun tijd in India goed gebruiken, vindt hij, want dit is het land waar je yogi’s en heiligen hebt en mensen die zelfs al honderden jaren oud zijn. Er moest zelfs iemand bij zijn die al voor Christus is geboren...

Vaak herhaalt hij: “Al het andere kan wachten maar de zoektocht naar God niet.” John Lennon heeft wel bewondering voor zijn spirituele ijver: “Zoals George bezig is, zal hij op z’n veertigste op een magisch tapijt vliegen.” Harrison wil “een spiritueel mens” worden, “omringd door vrouwen”. Hij begint alvast met dage- lijks de Hare Krishna-mantra te zingen en de Bhaga- vad Gita (Lied van de Heer) te lezen. Dat boek legt uit hoe je God en de eeuwige ziel kunt vinden en is een van de belangrijkste bronnen van de yogafilosofie. Het zuivert hem van nerveuze energie en hebzucht, zegt hij. Voorlopig raakt hij echter vooral door deze zoektocht zijn vrouw Patty kwijt. En zijn fans krijgen een beetje genoeg van zijn voortdurende aanspo- ringen vanaf het podium om hem na te roepen: ”Krishna! Jesus! Buddha!” Rock ’n roll willen ze! In de pers verschijnt snoeiharde kritiek op zijn soloplaten nadat de Beatles in 1970 uiteen zijn gegaan en van de weeromstuit verzinkt George in een depressie en in oude gewoonten: drank en drugs. Een mede yogabe- oefenaar, Olivia Arias, brengt hem echter weer bij zijn positieven. Zij wordt later zijn vrouw en de moeder van zijn zoon Dhani, een jongen met muzikaal talent die precies op tijd Georges beste vriend wordt zodat hij overeind blijft. 

Spirituele ziel
Harrison heeft groot respect voor India’s heilige teksten, maar zijn onderzoek naar de ervaring in het verlengde van die teksten vindt hij belangrijker dan een diepgaande studie ervan. In zijn liedjes na de Beatles-tijd verwijst hij slechts af en toe naar filosofische begrippen en geeft hij de voorkeur aan eenvoudige, gemakkelijk in het gehoor liggende liedjes. Op zijn album Living in The Material World (1973) waarschuwt hij tegen het materialisme als gevolg van wellust, woede, waanideeën en verlies van intelligen- tie. Geïnspireerd door de opdracht in de Gita om de goddelijke energie achter al het leven geen naam te geven, noemt George zichzelf liever een spirituele ziel dan een hindoe.

Misschien is het uit respect voor de goddelijke univer- saliteit dat hij niet voor één traditie kan kiezen. Als hij als Beatle iets geleerd heeft, is het wel het ter discussie stellen van autoriteiten. Daarom kan hij zich niet ex- clusief op één leermeester richten. Hij volgt er velen, waaronder Maharishi Mahesh Yogi, grondlegger van de TM-beweging. Maar soms, zo erkent hij, moet je als individu gewoon accepteren wat je geleerd wordt, zonder vragen te stellen.
George laat zijn waardering voor zijn geestverwanten duidelijk merken. Zijn 24-kamers tellend landgoed Friar Park ten noordwesten van Londen, wordt geregeld bezocht door kleurrijke gasten. De lucht is er zoet van de wierook. Een klein altaar staat op de schoor- steenmantel. Foto’s van favoriete leraren en schil- derijen van Indiase heiligen hangen aan de muren: godin Lakshmi, god Ganesh met zijn olifantenhoofd en Krishna, spelend met vrienden. George vindt de Indiase theologie opwindend en sensueel, vol medita- tieve muziek, smakelijk voedsel, fantastische verhalen van eeuwige werelden, kortom alles waar een nieuwe spirituele reiziger maar op kan hopen. 

 Toch wil hij meer. Hij is meer een doener dan een prater en zoekt manieren om zijn opvattingen te laten doorwerken. Platen maken met spirituele boodschap- pen is voor hem de ideale manier om zijn muzikale talent en zijn invloed in de platenbusiness te com- bineren. In 1970 brengt hij My Sweet Lord uit, geïnspireerd op Oh Happy Day van de Edwin Hawkins Singers. George gebruikt ‘halleluja’ als refrein dat overgaat in ‘Hare Krishna’. “Het Krishna-ding”, zoals hij het noemt, inspireert hem tot bhakti yoga waar- door hij zich realiseert dat God overal is: “Als je bijvoorbeeld naar een boom of naar mensen kijkt, zie je een afspiegeling van God. Extreem gezegd, is Hij het voedsel dat je eet, de smaak op je tong, de muziek die jehoort.”

 My Sweet Lord wordt een groot succes. Veel kopers herkennen er hun eigen zoektocht naar het goddelijke in. Maar er moet ook iets gebeuren, vindt Harrison en dat moment komt als Oost-Pakistan zich onafhankelijk verklaart onder de naam Bangladesh en in oorlog raakt met West-Pakistan, in 1971. Die oorlog kost honderdduizenden burgers het leven en miljoenen vluchten naar India. Onder de vluchtelingen bevin- den zich familieleden van zijn muziekleraar Shankar. Dan geeft hij het eerste grote benefietconcert van een popartiest dat verscheidene miljoenen oplevert voor de oorlogsslachtoffers.

 Het beste dat je kunt geven aan de mensen is een bewustzijn van het goddelijke, zegt hij later in 1986: “Maar eerst moet je je concentreren op je eigen spiri- tuele vorderingen. Dus we moeten eerst egoïst zijn om altruïstisch te kunnen worden. Ik ben aan het groeien en leren. Door het hindoeïsme voel ik me een beter mens. Ik word steeds gelukkiger door de ontdekking van wat in mij is en dat is hetzelfde als wat in anderen en in alles zit.” 

Tuinier
“Ik voel nog steeds hetzelfde als in de jaren zestig”, zegt hij in 1988. Dan gaat hij het goddelijke steeds meer in de natuur ontdekken. Hij concentreert zich op zijn tuin, zijn gezin en meditatie. In zijn laatste levensjaar plant hij eigenhandig vierhonderd esdoorns aan. In de tuin wordt hij gesterkt door het idee dat het leven doorgaat. Het planten van jasmijnstruiken, het bevrij- den van de magnolia van wilde doorntakken, daar gaat hij helemaal in op. Tuinieren wordt zijn manier “om Gods lichaam te strelen”, zo omschrijft Joshua Greene zijn eco-spiritualiteit in Hinduism Today.

Als begin-vijftiger heeft hij de pech te worden aange- vallen door een gestoorde man die ’s nachts zijn huis binnendringt en hem vele messteken toebrengt. Korte tijd later moet hij een operatie wegens keelkanker on- dergaan. Lichamelijk takelt hij af, maar hij blijft helder dankzij zijn dagelijkse meditaties, zegt hij. Zijn leven begint en eindigt met muziek. In Los Angeles overlijdt hij op 29 november 2001, omringd door familie en vrienden en onder het zingen van Gods heilige na- men, eindelijk verlost van de materialistische wereld. 

bron: Volzin april 2012